pagina 2
door Jan Boonstra
10.07.93.
Er zijn redelijk veel fietsers in Japan. En die fietsen over
het trottoir. Dat moet. Een ongelofelijke vorm van
coëxistentie, fietsers en voetgangers door elkaar.
Je moet heel lang
zaam fietsen, zeker in drukke winkelstraten en je moet soms de
raarste hoekjes om. Knap vervelend voor iemand die toch graag
af en toe 30 op z'n teller ziet staan. Dan is er nog iets waar je als
Nederlander toch wel moeite mee hebt: de fietsers en voetgangers
houden zich zeer gedisciplineerd aan de verkeerslichten.
Ik voelde een zware plicht om me hiermee te conformeren. Dat
was continu stoppen en weer doorschuifelen. Ik moest vandaag
door een uitgestrekt stedelijk gebied, dus dat schoot niet op.
In Kitakyushu heb ik de fiets aan de kant gezet (bagage kun je
laten zitten, het wordt vrijwel zeker niet gestolen) en ben
lopend boodschappen gaan doen.

winkels in Japan hebben heel veel te vertellen
Pas om twee uur zag ik wat groene velden en bossen, maar het bleef druk op de weg. Moe van al dat stoppen en weer optrekken ging ik op een steen zitten met een blikje appelsap uit een automaat en met de kaart voor me (ik heb een goede gevonden) overwoog ik wat te doen. Een zielige 8.9 stond op de teller als de gemiddelde snelheid tot nu toe en voor me lag nog zo'n stedelijk gebied rond Fukuoka, met 1,1 miljoen inwoners. Hoeveel stoplichten zou dat wel niet betekenen? Een omtrekkende beweging was moeilijk vanwege hoge bergruggen en ik besloot door te gaan tot achter de stedenband, om morgen goed te kunnen beginnen.
Ik begon voorzichtig wat meer op de weg te fietsen, zodat ik wat sneller en plezieriger vooruit kwam. Ik zag soms een enkele fietser met haast dit ook doen en dat stelde me gerust. Het centrum van Fukuoka passeerde ik dan ook vrij vlot. Ik zag zelfs twee keer een fietser door rood licht rijden en toen kregen de Japanners voor mij toch iets menselijks.
Uiteindelijk kwam ik in Maebaru, dat ik als doel had gesteld.
De aantekeningen van mijn Japanse les haalde ik tevoorschijn
om een slaapplaats te zoeken. Dat was inmiddels een kreukelig
papiertje geworden, want ik heb het vaak geraadpleegd vandaag.
Tot mijn schrik bleek het woord "Ryooka", wat moest staan voor
een hotelletje Japanse stijl en relatief goedkoop, niet
bekend.
Ik werd tot twee keer toe naar de politie verwezen als
ik duidelijk maakte dat ik wilde slapen. Dan maar naar de
politie. En die waren zeer behulpzaam. Er werd heel druk
gediscussieerd, er werden telefoontjes gepleegd, gidsen
geraadpleegd, kaarten tevoorschijn gehaald. Maar het simpele
feit was dat er in heel Maebaru geen hotelletje was en ze
waren inmiddels al druk bezig de wijde omgeving af te bellen.
Dat begreep ik toen na een half uur iemand was opgetrommeld
die 10 woorden Engels sprak. De agenten hadden een hotel
gevonden op 5 km afstand, maar die deed het niet voor minder
dan 125,-, zonder ontbijt. Verdere pogingen om iets goedkopers
te vinden (ze hadden al aangenomen dat ik dat te duur zou
vinden) bleken vruchteloos en ik toog met een naam op een
briefje naar dat dorp. Het werd al donker en ik
stak mijn fietslicht aan. De eigenaar liep mij al tegemoet
met: "Ah, Oranda? Police Maebaru?" Ja, dat was ik.
De kamer die ik kreeg was heel mooi. Geen bed of stoel te bekennen, maar de matten waren zacht. Achter de papieren schuifdeuren bleek een soort serre te zijn, met twee goeie stoelen en een tafeltje. Het uitzicht over zee was fantastisch. De bergen staken zwart af tegen de rode avondlucht en de zee ruiste zacht tegen de rotsen, 15 meter onder me. Ik was blij dat ik wat eten had gekocht onderweg. Dat kan ik nu mooi in m'n eigen serre nuttigen. Gesteld dat dit niet iedere avond voor moet komen, heb ik voor deze keer de 125 er wel voor over. Alleen jammer dat het al laat is. Ik kan er maar kort van genieten.